In de periode van 20 september tot 8 oktober had iets meer dan een op de vier kinderen (26,6 pct) in het basisonderwijs antistoffen tegen het coronavirus. Dat blijkt uit een onderzoek van gezondheidsinstituut Sciensano en de KU Leuven. Het gaat om een duidelijke toename sinds de vorige meting in mei en juni dit jaar. Toen had 15,4 procent van de leerlingen antistoffen.
Sciensano en KU Leuven volgen sinds vorig schooljaar de aanwezigheid van antistoffen tegen het coronavirus op bij leerlingen en schoolpersoneel in België. De studie wordt dit schooljaar verdergezet bij leerlingen in de lagere school. Dat is niet toevallig, want de kinderen onder 12 jaar zijn niet gevaccineerd.

Uit de vierde meting blijkt verder ook dat er belangrijke regionale verschillen zijn. In Brussel had 36,1 procent van de leerlingen antistoffen, terwijl dat beduidend lager lag in Vlaanderen (26,3 pct) en Wallonië (23,8 pct). Een mogelijke verklaring kan de lagere vaccinatiegraad en de hogere viruscirculatie in het Brussels Gewest zijn.

Ongeveer 7,7 procent van de leerlingen die getest zijn, raakte al besmet met het coronavirus sinds de start van de pandemie, 3,3 procent raakte besmet sinds de vorige meting in mei en juni. Niemand van de leerlingen moest al worden opgenomen in het ziekenhuis met COVID-19.

De toename van het aantal leerlingen met antistoffen wijst op een hoge circulatie van het coronavirus, klinkt het. Het virus verspreidt zich ook buiten de school aangezien de zomervakantie tussen de meetperiodes lag.

De onderzoekers zullen in december dezelfde groep leerlingen opnieuw testen op de aanwezigheid van antistoffen.