Watt onderscheidt een klassiek renner van een ronderenner?

Met de 14de etappe van Clermont-Ferrand naar Lyon voor de boeg kunnen de klassieke types in het Tourpeloton hun hartje ophalen. De lastige eindfase doet denken aan Milaan-Sanremo en dus zal de rit met rood aangekruist zijn door Julian Alaphilippe, Greg Van Avermaet en co. De ideale gelegenheid om het verschil tussen een klassieke renner en een ronderenner nog eens uit de doeken te doen.

Grosso modo bestaat een wielerpeloton uit een vijftal types specialisten: je hebt sprinters, baroudeurs, tijdrijders, klimmers en klassieke renners. Maar veel renners laten zich niet zomaar een label opplakken en slagen erin zich op meerdere terreinen te onderscheiden. Denken we bijvoorbeeld maar aan Wout van Aert, die dit jaar zowel klassiekers (Milaan-Sanremo, Strade Bianche) als Toursprints (2 etappezeges) in de wacht wist te slepen. Aangezien de drievoudige wereldkampioen veldrijden ook bergop in dienst van gele truidrager Primoz Roglic al indruk maakte, rees bij veel mensen de vraag of de Kempenzoon op een dag niet de Ronde van Frankrijk zou kunnen winnen. Dat dat echter niet zo voor de hand liggend is, bewijzen de verschillen tussen de klassieke types en de pure ronderenners.

Relatief versus absoluut vermogen

Daarvoor moeten we enigszins de wetenschappelijke toer opgaan. De laatste jaren wordt het wielrennen namelijk alsmaar wetenschappelijker benaderd en daarbij speelt vooral het vermogen dat renners kunnen trappen een grote rol. In ons vorige stuk over het ideale profiel van de Tour de France-winnaar kon je al lezen dat die best een allrounder kan zijn: een soort ideale mix van een tijdrijder en een klimmer. Maar ook het aantal watt dat een bepaalde renner per kilogram lichaamsgewicht kan trappen, speelt een belangrijke factor in het onderscheid tussen een ronderenner en een klassiek renner.

Sowieso ligt het absolute vermogen van een klassiek renner bijna altijd hoger dan dat van een ronderenner. Zo zal iemand als Wout van Aert een hoger vermogen kunnen leveren dan pakweg Egan Bernal. Het verschil zit hem er net in dat de Colombiaanse klimgeit veel minder kilogram over de bergtoppen dient te sleuren en op die manier aan een hoger aantal watt/kilogram komt. Zes watt/kilogram is zowat het streefdoel, al zitten de pure klimmers daar meer dan waarschijnlijk wel nog een eind boven.

Korte versus lange inspanning

Een ander wezenlijk verschil tussen een klassieke en een ronderenner zit eigenlijk al vervat in de wedstrijd zelf. Klassiekers zijn per definitie eendagswedstrijden, wat betekent dat in een enkele race beslist wordt over winst en over verlies. In rondes, die sowieso meerdere opeenvolgende koersdagen tellen, moet de inspanning meer gedoseerd gebeuren, want je kan je nu eenmaal niet permitteren om de ene dag all-in te gaan en de dag erna met geen poot meer vooruit te komen.

In een uitputtingsslag, zoals de Tour er een is, speelt ook VO2 max een belangrijke rol. Die term staat voor de maximale hoeveelheid zuurstof die een lichaam kan opnemen per minuut. Hoe hoger die ligt, hoe langer je je inspanning kunt volhouden en hoe sneller je ook recupereert. De VO2 max van de meeste renners situeert zich ergens tussen 75 en 80, maar bij klimmers ligt dat, deels door het lagere lichaamsgewicht, net dat tikkeltje hoger. Na de iet of wat verrassende Tourzege van Egan Bernal vorig jaar deden bijvoorbeeld geruchten de ronde dat de Colombiaan een VO2 max van rond de 90 zou halen... Als van Aert dus ooit de Tour zou willen winnen weet hij wat te doen: zoveel mogelijk vermageren zonder aan vermogen in te boeten. Geen gemakkelijke opdracht!

Ontdek alle informatie over de Ronde van Frankrijk via deze link!

Music Maestro

Sport in de kijker

Focus op films, series & tv

Nieuws van het esport-front

Top

Kinderslot geactiveerd

Voer uw pincode in om kinderslot gedurende 10 minuten uit te schakelen.

Je pincode vergeten? Bel 0800 99 696

Hulp?