Muziekfestivals die cultuurgeschiedenis schreven, deel 2: de seventies

Nu we verstoken zijn van onze teergeliefde zomerfestivals, richt Proximus Pickx elke week zijn spots op een legendarisch festival dat zijn stempel gedrukt heeft op een welbepaald decennium. In dit tweede deel pikken we de draad op in de seventies, met een memorabel festival dat slechts een jaar na Woodstock plaatsvond, maar nog een pak meer volk lokte. De derde editie van het Isle of Wight Festival schonk het evenement de bijnaam ‘het Engelse Woodstock’.

Woodstock mocht in 1969 dan wel een gouden standaard gelegd hebben voor rockfestivals op Noord-Amerikaanse bodem, over het Kanaal geniet één bepaalde festivaleditie diezelfde goddelijke status: het Isle of Wight Festival, dat plaatsvond van 26 tot 31 augustus 1970 op een godvergeten eiland aan de Britse zuidkust. Het was de laatste van de oorspronkelijke drie edities. In 2002 werd het festival nieuw leven ingeblazen, en sindsdien vindt het muziekfeest jaarlijks plaats – weliswaar in een kleinschaliger kader.

Net zoals op Woodstock konden bezoekers tickets in voorverkoop bemachtigen, maar ook hier hadden organisatoren de massale komst van concertgangers zonder ticket onderschat. Een grote menigte begon hekkens af te breken om een doorgang te forceren naar het festivalterrein, waardoor het gebeuren – net als Woodstock – uiteindelijk vrij toegankelijk werd. De massa groeide aan tot 600.000 mensen: 200.000 meer dan Woodstock een jaar eerder, en een nieuw wereldrecord. Exacte cijfers over de omvang van het publiek bestaan niet, maar volgens het Guinness World Book of Records werd het eiland van 380 m² overrompeld door een volksmassa van tussen de 600.000 en 700.000 mensen, waarvan slechts een fractie – 50.000 brave zielen – een toegangsticket had gekocht.

Wereldsterren vestigden hun reputatie

De line-up was uitgebreider en gevarieerder dan Woodstock, met naast rock zowel jazz (Miles Davis) als country (Kris Kristofferson) en zelfs een streepje Braziliaanse Tropicalia (Gilberto Gil en Caetano Veloso). Ook de absolute kleppers van die tijd stonden op de affiche, met onder andere Jimi Hendrix, The Who, The Doors, Chicago en The Moody Blues. Het festival was ook de lakmoesproef van twee piepjonge wereldbands in spe: Supertramp, die een maand eerder zijn debuut had gelanceerd, en Emerson, Lake and Palmer, een supergroep die slechts een week voordien een eerste keer had opgetreden.
 
De grootste namen uit het toenmalige muzieklandschap zouden met hun optredens op Wight een legendarische status verwerven. Het concert van The Who wordt beschouwd als één van hun beste ooit. Ook de passage van Hendrix op de laatste festivalavond ging de geschiedenisboeken in: het zou zijn allerlaatste wapenfeit worden op Britse bodem, want drie weken later was het muziekicoon dood.

Logistieke nachtmerrie

De locatie van het festival was magnifiek, maar onpraktisch: de akoestiek had te kampen onder een sterke zijdelingse zeebries, die het podiumgeluid wegdreef naar de zijkanten. De geluidsinstallatie moest opgedreven worden met de versterkers van The Who. Organisatoren kregen ook af te rekenen met logistieke uitdagingen: ze moesten transport voorzien voor een massa van 600.000 bezoekers, en dat op een eiland met minder dan 100.000 bewoners. De shuttlediensten hadden in die periode sowieso al de handen vol met de jaarlijkse instroom van zomertoeristen.
 
Toen het besef doorsijpelde dat het festival uit zijn voegen was gebarsten en er geen winst geboekt zou worden, besloten de organisatoren om er een gratis evenement van te maken – tot ongenoegen van Rikki Farr, de master of ceremonies, die volgens de overlevering een tirade afstak: “We hebben dit festival met veel liefde op poten gezet, rotzakken! We hebben ons een jaar uit de naad gewerkt voor jullie, varkens! En als dank slopen jullie onze hekkens en brengen jullie vernielingen aan? Wel, loop naar de hel!” Door de financiële kater achteraf was het 32 jaar wachten eer een nieuw festival van die omvang zou verrijzen op het eiland.

Muziek

Bekijk alles
Top