Current language: nl

Scott Walker, een eigenzinnig en uniek genie

Drie jaar na David Bowie is nu ook zijn vijf jaar oudere aartsengel heengegaan. Letterlijk, haast. Want voluit heette hij Noel Scott Engel, wat eigenlijk veel mooier is dan het nogal banaal klinkende Scott Walker.
Scott Walker, een eigenzinnig en uniek genie © Isopix

Het begin

Het verhaal van Scott Walker begon bij The Walker Brothers, drie naar Engeland geëmigreerde Amerikanen die allesbehalve broers waren, maar wel onnoemelijk veel succes oogstten in het midden van de jaren ‘60 (bij momenten staken zij, qua gillende bakvissen, zelfs The Beatles naar de kroon) met melancholische wall-of-soundjuwelen als ‘The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore’, ‘My Ship Is Coming In’ en ‘Make It Easy On Yourself’. Na verloop van tijd werd de groepsformule voor Scott echter een gouden kooi, en toen zijn eerste solo-lp, “Scott”, door pers én publiek werd omarmd, leek hij op weg om ook op zijn eentje een langdurige succesvolle carrière uit te bouwen.

De eerste solocarrière en reünie

De eerste solocarrière en reünie © Isopix

Aanvankelijk lukte dat ook: “Scott 2” en “Scott 3”, die net als zijn eerste plaat verschillende Jacques Brel-covers en prachtig georchestreerde barokpopsongs bevatten - belandden allebei hoog in de hitlijsten, maar “Scott 4”, waarvoor hij álle songs zelf schreef, viel op een lauwe steen. Te arty, te donker, te eigenzinnig. Pogingen om het over een andere boeg te gooien leverden nadien platen op waarvan sommige zeker de moeite waren (“Scott Sings Songs From His TV-Series”, “The Moviegoer”, “Till The Band Comes In”), maar andere zijn talent onwaardig (“Stretch”, “We Had It All”).
In 1975 stemde hij dan ook toe in een reünie van The Walker Brothers, die drie lp’s en één serieuze hit (‘No Regrets’) opleverden. Op de laatste gezamenlijke lp (“Nite Flights”) stond ook een wonderlijk nummer dat ‘The Electrician’ heette. Met een tekst die een soort verknipte monologue intérieure van een CIA-folteraar voorstelde, was het een raadsel waarom de platenfirma toch besloot om het nummer als single uit te brengen. Deze flopte uiteraard gigantisch, maar intussen had Walker wel een voorbeeld gegeven van de muzikale richting die hij voor ogen had: minder songs, meer abstracte structuren en teksten. “Climate Of Hunter”, dat in 1984 verscheen, was in dat opzicht nog redelijk conventioneel, maar toen ook deze plaat flopte, hoefde het voor hem even niet meer. Elf jaar bleef het stil. Brian Eno en Daniel Lanois probeerden nog wel een project met Walker op te zetten, maar met Lanois boterde het niet, en het project werd al snel weer afgevoerd.

De tweede solocarrière

De tweede solocarrière

Maar dan, in 1995, was er de comeback, met “Tilt”. En een Scott Walker die zichzelf nu, ten overstaan van de muziekcommercie, helemáál buitenspel zette. “Tilt” had namelijk nauwelijks nog iets met pop, rock of wat dan ook te maken, maar was tegelijkertijd zowat de mooiste, ontroerendste en meest schrikwekkende plaat van het decennium. Openingsnummer ‘Farmer In The City’ (met een tekst gebaseerd op de moord op Pier Paolo Pasolini) was geen song, maar een aria; ‘The Cockfighter’ – over het proces van Adolf Eichmann (1961) én de Engelse koningin Caroline (1820) – steunde op een backdrop die weggelopen leek uit de samplers van Trent Reznor, en ‘Rosary’, waarin Walker zichzelf begeleidde op elektrische gitaar, kon voor de treurzang van een maanzieke doorgaan. Niet het soort plaat dat je uit de kast haalt voor een fondueavond met de vrienden, quoi, maar wel een tijdloos meesterwerk.
In zekere zin gold dat ook voor “The Drift”, waarop het alweer elf jaar wachten was. Alleen: nog donkerder, nog hermetischer. Passeerden de revue: de moord op Benito Mussolini en zijn maitresse Clara, 9/11, de doodgeboren tweelingbroer van Elvis Presley, angstig balkende ezels en gitzwarte humor. Flarden van nieuwsberichten werden poëzie werden koortsdromen werden woordgrappen. En vice versa. Hieronymus Bosch op de hi-fi, werd geschreven.
De volgende plaat, zes jaar later (in 2012), kreeg dan ook, nonkelmopgewijs, de titel “Bish Bosch” mee, en was iets minder dichtgebetonneerd dan “The Drift”, maar toch: titels als ‘Corps De Blah’, ‘SDSS1416+13B (Zercon, A Flagpole Sitter)’ en ‘The Day The "Conducator" Died’ (alweer over een publieke executie, dit keer die van Nicolae Ceausescu) deden toch vermoeden dat de kolder beperkt bleef tot de titel. Nauwelijks twee jaar nadien kwam er met "Soused" terug nieuw werk uit, dit keer in samenwerking met het Amerikaanse Sunn O))), een experimentele dronemetalband uit Seattle. En wat op papier het perfecte recept leek voor een absoluut onbeluisterbaar album, bleek in de praktijk net het omgekeerde effect op te leveren; op de een of andere manier leken de logge riffs – Black Sabbath tot de zevende macht, zoiets – en de cryptiek van Walkers teksten voor elkaar gemaakt. Het blijft bijzonder jammer dat Walkers immense podiumvrees hem ervan weerhield om dit (en zijn vorige) werk naar het podium te brengen.

Uniek en eigenzinnig genie?

Uniek en eigenzinnig genie?

De carrière van Scott Walker in enkele woorden samenvatten is uiteraard onbegonnen werk. Van tieneridool naar eigenzinnige songschrijver naar avant-gardekunstenaar: het is een traject dat je in de muziekindustrie zelden tegenkomt. Dat leverde hem vooral bewondering op: David Bowie, Thom Yorke, Greg Dulli, Mark Lanegan, Damon Albarn en Neil Hannon (The Divine Comedy) waren/zijn allen vurige fans, en Jarvis Cocker van Pulp slaagde er zelfs in om Walker - die een nogal teruggetrokken bestaan leefde - te overhalen om de lp “We Love Life” van zijn groep te laten producen. 
Die haast beate bewondering van grote en belangrijke artiesten vindt vaak haar oorsprong in het respect voor de compromisloze houding die Walker vanaf de jaren 80 aannam: commercie werd bijzaak, alleen het artistieke resultaat telde. Dat alleen al maakt hem uniek en eigenzinnig. En de constant hoge kwaliteit van zijn werk lijkt het woord genie - dat in de muziekwereld vaker te onpas dan te pas wordt gebruikt - zeker te rechtvaardigen.

Top